In gesprek met regisseur Eline Arbo over De Kopenhagen Trilogie
Door: Iris Istha
Hoe kwam je voor het eerst in aanraking met het werk van Tove Ditlevsen?
“Het werk van Tove Ditlevsen heb ik eigenlijk via mijn moeder leren kennen. Zij is een heel groot fan. Dus ik las haar boeken, haar gedichten, die hadden we allemaal thuis. De trilogie, als één geheel, heb ik opnieuw gelezen toen het uitkwam, een jaar of zes geleden, toen het een soort renaissance kreeg wereldwijd en in heel veel talen werd vertaald. Eerst waren het natuurlijk drie losse boeken; toen werd het uitgegeven als één trilogie. Ik had het al eerder gelezen, heel lang geleden, maar toen ik het opnieuw las dacht ik: dit is fantastisch materiaal. Dit is theater. Let's go.”

“Voor mij gaat het sowieso over Tove Ditlevsen als personage; een heel complex personage. Ze is heel tegenstrijdig als persoon, en dat maakt haar een interessante hoofdfiguur voor een verhaal. Ze wil heel graag schrijver worden, ze heeft veel ambitie, ze is grenzeloos, radicaal, en in zekere zin ook destructief, ook naar de mensen om haar heen. En tegelijkertijd is ze iemand die graag een man, een huis en kinderen wil, die heel graag binnen het ideale plaatje van wat een leven - een vrouwenleven - moet zijn, wil passen. Ze wil dus eigenlijk alles tegelijk, wat voor haar blijkt niet te kunnen.”
"We weten allemaal dat we een kaartje hebben gekocht, en toch zijn we bereid te geloven."
Daarnaast zijn het haar eigen herinneringen waar ze over vertelt. Ze noemt de boeken zelf geen autobiografieën, maar herinneringen. Ze speelt voortdurend met fictie en realiteit: wat is echt, wat is niet echt, is dit echt gebeurd, waren de mensen die ze beschrijft echt zo? Dat spel tussen fictie en realiteit is ook theatraal heel interessant. In mijn eigen voorstellingen ben ik ook altijd op zoek naar die spanning tussen fictie en realiteit. Niet dat we doen alsof het niet gespeeld is, maar voor mij zit juist daar de spanning, de schoonheid van theater: we weten allemaal dat we een kaartje hebben gekocht, en toch zijn we bereid te geloven. Je gaat de magie in, en je gaat in en uit die magie.

"Het is een mooi verhaal over wat het betekent om niet mee te gaan in de verwachtingen van je leven, maar je eigen leven te kiezen."
Het is een maatschappelijk verhaal, met het persoonlijke als politiek. Tove komt uit een arm arbeidersmilieu en heeft een ambitie die, zeker voor vrouwen toen, ongekend was. Er wordt haar voortdurend gezegd: jij moet gewoon trouwen. Ze mag niet doorleren, niet naar het gymnasium of de middelbare school. Ze moet op haar veertiende stoppen met school, dan werken, dan een man vinden, dan koken. Dat is haar hele toekomst zoals die voor haar wordt neergezet, zonder dat daar vanuit haar milieu ooit een vraag bij wordt gesteld. Maar zij heeft grote ambities, ze wil schrijven, iets dat ze van jongs af aan ook al heel veel doet. Het is een mooi verhaal over wat het betekent om niet mee te gaan in de verwachtingen van je leven, maar je eigen leven te kiezen. Er zitten dus heel veel verschillende aspecten aan dit verhaal, wat het interessant maakt voor theater, zowel qua vorm als inhoud.”

De boeken omvatten vrijwel een heel leven. Wat mocht in jouw bewerking niet ontbreken?
“Voor mij was het belangrijk om haar gevoel als schrijver, als kunstenaar, als iemand met ambitie — die motor, die kracht in haar — niet uit het oog te verliezen. Want als je zo'n bewerking maakt, zijn er ontzettend veel dingen uit haar milieu, dingen die ze meemaakt binnen een soort coming-of-age: ze krijgt haar eerste kus, ze wordt zwanger, ze krijgt kinderen. Eigenlijk al die ontwikkelingen die je als mens mee kunt maken. Daaronder, als een soort kloppend hart onder de hele voorstelling, moet haar schrijverschap en die ambitie zitten.”

In de boeken passeren veel mensen uit Toves leven de revue, terwijl de voorstelling door acht acteurs wordt gespeeld. Hoe hebben jullie dat aangepakt?
“In de bewerking heb ik het zo gedaan dat ik verschillende typen personages heb gekoppeld aan één speler. Dus veel van de acteurs hebben een bepaald archetype dat ze spelen. Zo speelt Sanne den Hartogh bijvoorbeeld de broer van Tove, die haar op jonge leeftijd al stimuleert om haar schrijversdroom waar te maken. Ook speelt hij haar tweede echtgenoot, in zekere zin de grote liefde van haar leven, en een soort veilige haven, de kameraad, de steun. June Yanez speelt verschillende vriendinnen van Tove: personages die haar steunen, en soms ook uitdagen, maar die vaak, zoals Tove zelf omschrijft, een beetje stoerder of cooler zijn dan Tove zelf. Je hebt dus per speler een aantal belangrijke terugkerende karaktertypes. Anders kan het te snel schakelen tussen al die verschillende mensen en wordt het een chaos. Op die manier probeer ik dat je voelt dat de spelers wel door verschillende personages rondom Tove heen bewegen, maar dat ze toch een beetje hetzelfde soort figuur blijven.”

"Ze was een tegenstrijdig en behoorlijk radicaal figuur."
Voor de scenografie vormde het idee van herinneringen het uitgangspunt. Ditlevsen noemde de boeken zelf geen autobiografieën maar memoires: herinneringen aan haar leven. Samen met scenograaf Pascal Leboucq zocht Arbo naar een manier om die herinneringen zichtbaar te maken op toneel.
“Wat Pascal heeft ontwikkeld zijn verschillende grote gordijnen, vage afdrukken van kamers. Het is een soort latex-siliconenmateriaal, dat doet denken aan de huid van Tove. Er is namelijk een passage in een van de boeken waar ze haar huid afpelt, alsof het door de zonverbrande huid is, en daaronder komt iets nieuws tevoorschijn, telkens weer een nieuwe stap in haar leven. Het komt dus uit de beeldtaal van haar eigen boek, die associatie met huid en lichamelijkheid.
We wilden een soort herinneringsbibliotheek maken, waarin je op verschillende plekken kan zijn; afdrukken van een keuken, een deur, een raam. Het geeft het gevoel van een andere tijd, maar tegelijk voelt het materiaal tactiel, lichamelijk, een beetje vies en ook modern. Ik vind dat een mooie tegenstrijdigheid. Die afdrukken kunnen boven het hoofd van Tove zweven; ze kunnen als het ware stukken uit die herinneringsbibliotheek plukken en verschillende scènes uit haar leven presenteren en laten zien.
Het zijn delen van haar die altijd blijven, bijna als een soort mobiel die boven haar zweeft— ze zijn dus altijd in beeld. Het is natuurlijk een heel mooi verhaal, maar het heeft, zoals ik ook over Tove zelf zei, een moeilijk randje. En hoe vang je dat ook in beeld? Dat lelijke, daar zochten we naar.”
“Thijs wilde graag dat het vanuit de tijd waarin ze de boeken schreef zou komen qua muziek. Ze schreef deze boeken over haar hele leven, maar natuurlijk niet in de tijd zelf, als kind — ze schreef ze eind jaren zestig, begin jaren zeventig. Dat is ook muzikaal een heel interessante tijd: het breekt met de naoorlogse tuttigheid van de jaren veertig en vijftig, en je gaat richting iets meer rocky, iets radicalers.
Dat gevoel past ook beter bij wie Tove als persoon is. Ze was een tegenstrijdige en behoorlijk radicale figuur. Vanuit die gedachte hebben we verschillende inspiratiebronnen onderzocht en heeft Thijs de muzikale wereld van de voorstelling ontwikkeld. Daardoor hoor je in de muziek dezelfde energie en tegenstrijdigheden terug die ook zo kenmerkend zijn voor Tove.”

